Als het kind spreekt, maar niet vrij

Emma komt binnen

Emma is tien wanneer ze bij mij binnenkomt voor het deskundigenonderzoek. Ze stapt alleen binnen, zoals het hoort. Ze gaat zitten, haar rug recht, haar blik ernstig.
Als ik haar vraag om zichzelf voor te stellen, begint ze spontaan te vertellen. “Bij mama voel ik me veilig, mama begrijpt mij. Ze is lief. Ze zorgt altijd voor mij.” Ze vertelt over samen koekjes bakken, samen knutselen, samen in bed kruipen om een film te kijken.

Dus, Emma woont in 2 huizen.
Bij het verhaal over papa verandert haar toon. “Bij papa is het anders,” zegt ze. “Hij wordt snel boos. Hij zegt soms rare dingen. Ik voel me daar niet veilig.” Wanneer ik vraag naar voorbeelden, zegt ze: “Papa laat mij alleen eten.” “Papa zegt dat mama liegt.” “Papa begrijpt mij niet zoals mama dat doet.”
Het zijn ernstige uitspraken, zonder concretisering, zonder context, zonder nuance. Telkens wanneer ze iets negatiefs over haar vader zegt, ontspant haar gezicht subtiel — alsof ze iets doet wat van haar verwacht wordt.

De hulpverlener in beeld

Psychologen en therapeuten die kinderen begeleiden in een scheidingscontext bevinden zich in een complexe positie. Zij worden geconfronteerd met emotioneel geladen verhalen, met ouders die zich onbegrepen voelen en met kinderen die proberen te navigeren tussen loyaliteit, angst en de wens om niemand teleur te stellen. Hierbinnen is het essentieel dat hulpverleners zich bewust blijven van hun professioneel handelen, deontologische verwachtingen en de risico’s wanneer zij onbedoeld bijdragen aan eenzijdige beeldvorming.
Hoewel psychologen in de therapeutische praktijk niet optreden als gerechtsdeskundige, kunnen hun verslagen een grote impact hebben op juridische en therapeutische trajecten. Daarom is het cruciaal dat zij zorgvuldig omgaan met informatie en vermijden om uitspraken te doen over ouders die zij niet hebben gezien.

Regelmatig wordt therapie opgestart vanuit één ouderlijk huis, zonder dat de andere ouder hiervan op de hoogte is. Het kind wordt dan aangemeld door één ouder, vanuit diens emotionele context, en de andere ouder wordt niet geïnformeerd en niet betrokken. Hierdoor ontstaat een therapeutische setting die vanaf het eerste moment structureel scheefgetrokken is. De therapeut hoort slechts één narratief, en dat narratief wordt vaak gekleurd door de emoties, angsten en overtuigingen van de ouder die het kind aanmeldt. De afwezige ouder en diens perspectief wordt onzichtbaar.

In het voorbeeld van Emma wordt dit duidelijk. Emma is tien jaar en woont in een week-weekregeling bij haar ouders. Haar moeder meldde haar aan bij een psycholoog omdat Emma “zich niet veilig voelt bij haar vader”. De aanmelding gebeurde volledig vanuit het huis van de moeder. De vader wist van niets. Hij werd niet geïnformeerd, niet betrokken en niet uitgenodigd. Het intakegesprek vond plaats met de moeder en Emma samen. De therapeut hoorde dus uitsluitend het perspectief van de moeder en het kind, binnen de emotionele sfeer van de moederlijke context. Emma werd ook uitgenodigd en aangemoedigd om vanuit die context te vertellen.

Dit is problematisch. Een therapeut die een intake uitvoert in aanwezigheid van één ouder, zonder de andere ouder te informeren en te betrekken, moet beseffen dat het kind niet vrijuit spreekt. De aanwezigheid van de ouder beïnvloedt het kind, zelfs wanneer die ouder zwijgt. Wanneer bovendien sprake is van een vervreemdingsproces, wordt het risico nog groter.
In de internationale literatuur worden oudervervreemdingsgedragingen (PAB’s) beschreven als gedragingen van een ouder die het contact tussen het kind en de andere ouder ondermijnt. Deze gedragingen kunnen subtiel of expliciet zijn. Ze omvatten onder meer het herhaaldelijk benadrukken van vermeende gevaren bij de andere ouder, het delen van volwassen zorgen met het kind, het stimuleren van geheimhouding, het belonen van negatieve uitspraken over de andere ouder, het ontmoedigen van contact, het creëren van angst of schuldgevoelens, en het presenteren van de andere ouder als onbetrouwbaar of gevaarlijk.

In Emma’s verhaal zijn verschillende van deze gedragingen aanwezig, op een subtiele manier. Emma ziet haar moeder worstelen met verdriet, angst en boosheid over de scheiding. Haar moeder maakt opmerkingen zoals: “Ik hoop dat je je veilig voelt daar” of “Je moet het me zeggen als papa weer iets doet dat niet oké is.” Deze opmerkingen creëren een emotionele context waarin Emma zich verantwoordelijk voelt voor het welzijn van haar moeder.
Wanneer Emma bij de psycholoog komt voor het intakegesprek, rechtstreeks vanuit het huis van moeder, en in haar aanwezigheid, voelt ze de impliciete verwachting om haar moeder gerust te stellen. Ze vertelt dat ze bang is bij haar vader, dat hij soms boos kijkt en dat ze liever minder naar hem zou gaan. De therapeut noteert dit mogelijks als een signaal van onveiligheid.

In ALVERA gebruiken we bij een eerste gesprek met kinderen/ jongeren steeds de principes van het NICHD-protocol, internationaal erkend als een van de meest betrouwbare kaders voor het interviewen van kinderen. Men benadrukt dat kinderen best worden bevraagd met open vragen, zonder suggestieve formuleringen, zonder druk, en zonder dat de interviewer verwachtingen uitstraalt. Het protocol waarschuwt expliciet voor het risico dat kinderen antwoorden geven waarvan zij denken dat de volwassene die wil horen. In scheidingscontexten is dat risico nog groter, omdat kinderen vaak emotioneel afgestemd zijn op de ouder bij wie zij op dat moment verblijven. Wat de therapeut echter niet ziet, is dat Emma bij haar vader een heel ander leven leidt. Ze heeft er een eigen kamer die ze zelf heeft ingericht met foto’s en tekeningen. Ze gaat er graag naar school, speelt in de tuin met de hond, bakt op zondag pannenkoeken met de partner van vader en gaat elke woensdag naar de turnles waar haar vader haar enthousiast aanmoedigt. Wanneer ze bij haar vader is, lacht ze veel, slaapt ze goed en toont ze geen enkel teken van angst. Maar wanneer ze terug naar haar moeder gaat, voelt ze opnieuw de emotionele druk en past ze haar verhaal aan. Ze vertelt haar moeder dat ze het moeilijk heeft bij haar vader, omdat ze merkt dat dit haar moeder geruststelt en omdat ze bang is haar verdriet te vergroten. Emma pleast uit loyaliteit en liefde.

Een bijkomend gevaar in deze context is dat psychologen de maturiteit van het kind verkeerd inschatten. In scheidingssituaties, zeker wanneer er sprake is van oudervervreemdingsgedrag, kunnen kinderen verbaal sterk, intelligent en sociaal vaardig overkomen. Dit leidt soms tot de foutieve conclusie dat het kind “rijp genoeg” is om betrouwbare uitspraken te doen over de complexe relationele kwesties. Een kind kan verbaal zeer vaardig zijn en tegelijk emotioneel kwetsbaar, beïnvloedbaar en dermate loyaal dat het zichzelf verloochent. Een kind kan cognitief begrijpen wat er gebeurt, maar emotioneel niet in staat zijn om vrijuit te spreken. Een kind kan rationeel redeneren, maar toch handelen vanuit angst of loyaliteit.

Voor psychologen en therapeuten is het essentieel om loyaliteitsconficten en vervreemdingsdynamieken te herkennen. Een kind dat negatieve uitspraken doet over één ouder, zeker wanneer die ouder niet betrokken is bij de hulpverlening, spreekt nooit in een vacuüm. De context waarin het kind wordt bevraagd, bepaalt mee wat het zegt. Een therapeut die enkel het perspectief van de moeder hoort en die het kind spreekt in de emotionele sfeer van die moeder, loopt het risico om eenzijdige informatie te verzamelen en te valideren. Hierdoor beïnvloedt de hulpverlener het kind ongewild. Dit kan leiden tot verdere vervreemding, tot escalatie van conflicten en tot schade in de ouder-kindrelatie.

De andere Emma

Wanneer het gesprek met mij is afgelopen, loopt Emma naar buiten waar haar vader haar komt ophalen. Ik observeer bijzonder aandachtig.
Ze ziet hem en haar gezicht verandert. Niet in angst. Niet in spanning. Maar in liefde en verbinding.
Ze loopt naar hem toe, leunt dicht tegen hem aan en pakt zijn hand vast. “Papa, ik moet je iets vertellen,” zegt ze opgewekt. “We hebben vandaag een nieuw project op school. En ik heb een tekening gemaakt van onze hond!”
Ze praat honderduit terwijl ze samen vertrekken. Geen spoor van angst. Geen afstand. Geen terughoudendheid. Een huppelende Emma naast haar vader.

Oproep

Hulpverleners die met kinderen praten in een scheidingscontext dragen een bijzondere verantwoordelijkheid. Het is essentieel dat zij zorgvuldig werken: beide ouders informeren, beide perspectieven horen, en met het kind spreken in een neutrale setting. Een therapeut die slechts één ouder betrekt, creëert onbedoeld een scheefgetrokken kader waarin het kind niet vrij kan spreken. Daarom is het noodzakelijk dat hulpverleners bewust waken over hun neutraliteit, dat zij geen conclusies trekken over een ouder die zij niet hebben gezien, en dat zij steeds alert blijven voor beïnvloeding. Het kind verdient een veilige ruimte waarin het niet hoeft te kiezen, niet hoeft te pleasen, en niet klem hoeft te zitten tussen moeder en vader.

Aanvullende opmerking

Hoewel in dit verhaal sprake is van een beïnvloedende moeder, is het belangrijk te benadrukken dat dit evenzeer een vader zou kunnen zijn. Parental Alienation Behaviors zijn niet gebonden aan gender. Zowel moeders als vaders kunnen – vaak vanuit eigen pijn, angst of onzekerheid – dynamieken creëren die het kind beïnvloeden.